Operatie Market

Map Operatie Market Garden, bron en copyright RD: klik op het plaatje voor een grotere afbeelding

Operatie Market is de benaming van het geallieerde luchtoffensief, dat op 17 september 1944 van start ging. Vanaf ruim 20 vliegvelden, verspreid over heel Engeland, steeg de grootste vloot van oorlogsvliegtuigen op – die ooit ergens ter wereld ingezet is voor één operatie – richting Nederland.

Deze grootschalige luchtlandingsoperatie (Market) zou vrijwel synchroon moeten plaatsvinden met het grondoffensief (Garden) vanuit België. Amerikaanse, Britse en Poolse luchtlandingstroepen zouden belangrijke bruggen over Nederlandse rivieren (Maas, Waal en Rijn) en kanalen innemen (zie Map rechts), waarna grondtroepen via deze bruggen in een corridor snel zouden kunnen doorstoten tot, uiteindelijk, het IJsselmeer. Daarmee zouden de Duitse troepen in het Westen van Nederland in de tang zijn genomen. Tevens was er dan de mogelijkheid om naar het, in het oosten gelegen, Ruhrgebied – het industriële hart van Duitsland – op te rukken. Daarbij werd op deze manier vooral ook de gevreesde Westwall omzeild.

General Brereton.jpg

De Amerikaanse luitenant-generaal Lewis Hyde Brereton, bevelhebber van de First Allied Airborne Army (Bron: Wikipedia)

Om de luchtlandingstroepen zo min mogelijk tegenstand op de grond te laten ondervinden, werd het luchtlandingsplan ‘s ochtends vroeg voorafgegaan met geallieerde bombardementen op vliegbases in zuidelijk Nederland. Tevens was het doel Duits luchtdoelgeschut uit te schakelen. De operatie, onder de codenaam Market, bestond uit twee stromen vliegtuigen. Voorop ging een Britse stroom met ruim 500 vliegtuigen; 358 toestellen sleepten de gliders met aan boord de First Airlanding Brigade, gevolgd door 155 stuks met de First Parachute Brigade (bron: Green on! pag. 12, auteur A.J. van Hees). De selectie voor de Britse luchtlandingstroepen was een spartaans proces. Deze soldaten waren optimaal getraind voor acties achter de vijandelijke linies, zij beschouwden zichzelf daarom als een elite-eenheid. Toch hadden de parachutisten en glidermen sinds 1943 niet meer gevochten. Het First Airborne Corps werd reserve gehouden na het instorten van het Duitse front in Normandië en tijdens de snelle opmars van de geallieerden (zie voorafgaand Market Garden).

De Amerikaanse stroom, afkomstig van de 82e en 101e luchtlandingsdivisie bestond uit 1545 toestellen, met begeleiding van 900 jachtvliegtuigen. Het Eerste Geallieerde Luchtlandingsleger, onder bevel van de Amerikaanse luitenant-generaal Lewis H. Brereton zou met drie geallieerde luchtlandingsdivisies – compleet met voertuigen en uitrustingsstukken – worden afgeworpen achter de Duitse linies. Hiermee moest de weg

Amerikaanse paratroopers van de First Allied Airborne Army, 17 September 1944. Bron: Wikipedia.org.

vrijgemaakt worden voor het genoemde Tweede Britse Leger, dat respectievelijk op drie achtereenvolgende dagen (17-19 september) de genoemde steden zou moeten bereiken.

Het was voor de geallieerden en Nederland grotendeels een mislukking doordat de laatste brug bij Arnhem, over de Rijn, net een brug te ver bleek te zijn. In de geallieerde plannen was geen rekening gehouden met twee SS-pantserdivisies; allereerst de 9e SS Panzer Division ‘Hohenstaufen’, dichtbij Arnhem. Circa 2.500 ervaren SS-infanteristen verdeeld over 19 Alarm-compagnieën met tanks en pantservoertuigen bevonden zich bij Arnhem (en de Rijnbrug) op een afstand van maximaal 3/4 uur rijden (Bron: De Straat, pag. 65, auteur R. Kershaw). Ook de verderop gelegerde 10e Pantser Division ‘Frundberg’ werd genegeerd. In het algemeen wordt dan ook verondersteld dat door het mislukken van de zo geheten Slag om Arnhem de oorlog met een half jaar werd verlengd, waardoor vooral het westelijk deel van Nederland een lange hongerwinter doormaakte. Overigens wordt de mening niet door iedereen gedeeld dat met een succesvolle verovering van de brug bij Arnhem de oorlog voor de winter beëindigd zou zijn. De Duitse bezetting was op dat moment in het westen van Nederland namelijk behoorlijk sterk en zou zich niet direct gewonnen geven.

File:Middleton.Eisenhower.1944.jpg

Links op de foto Generaal Eisenhower in gesprek met Majoor Generaal Troy H. Middleton (Bron: Wikipedia)

De Amerikaanse generaal Dwight David Eisenhower heeft na de oorlog, in zijn boek “Kruistocht door Europa”, kenbaar gemaakt dat, in tegenstelling tot wat vaak wordt verondersteld, na een volledig succes van Market Garden er geen offensief richting het Ruhrgebied zou hebben plaatsgevonden. De Schelde, en daarmee de toegang tot de bevoorradingshaven van Antwerpen, was toen namelijk nog geheel in Duitse handen. Dit betekende voor de geallieerden een essentieel bevoorradingsprobleem en zou volgens generaal Eisenhower de bepalende factor zijn. De uiterst moeilijke Slag om de Schelde is pas op 2 oktober 1944 ingezet en heeft 5 weken geduurd, terwijl Market Garden eind september reeds uitgelopen was op een mislukking.

Het verloop van Operation Market

De operatie Market, die zich concentreerde rondom de gebieden van drie steden (Eindhoven, Nijmegen en Arnhem), werd bij daglicht uitgevoerd. Dit laatste had belangrijke nadelen. De vijand kon op deze wijze zien wat er plaatsvond en de wat minder snelle C47 Dakota transporttoestellen waren gemakkelijker te beschadigen door geschut, waar zij over bezet terrein vlogen.

Eindhoven

De Amerikaanse 101e Luchtlandingsdivisie, bijgenaamd de Screaming Eagles, onder bevel van generaal-majoor Maxwell Davenport Taylor, werd in het gebied rond Eindhoven gedropt (zie ook bovenste landkaart). Zij vlogen over het bevrijde België naar Nederland, zodat er onderweg weinig problemen ondervonden werden met de vijand. Er waren drie droppingzones. Van Zuid in Noordelijke richting betrof dit: Best en Son (506de Regiment), Sint-Oedenrode (502de Regiment) en Veghel (501ste Regiment). Het 502de en 506de Regiment moest twee bruggen over het Wilhelminakanaal bij Son

Edward Fox geeft uitleg over het Market Garden-plan

en Best bezetten. Het 502de was eveneens aangemerkt voor de brug over de rivier Dommel bij Sint Oedenrode en het 501ste de bruggen over het riviertje de Aa en Zuid-Willemsvaart bij Veghel. Vervolgens moesten de manschappen oprukken tot Eindhoven en daar contact zien te leggen met oprukkende grondtroepen van het XXXe Korps onder leiding van luitenant-generaal Brian Horrocks. Dit had zelfs prioriteit voor het 506de Regiment moeten zijn. De commandant van dit regiment, kolonel Robbert F. Sink, beschikte echter niet tijdig over zijn verbindingseenheid, zodat hij geen contact kon krijgen met het korps van Horrocks. Deze gemiste kans was een negatief kenmerk voor de hele operatie.

Nijmegen

Het gebied rond Nijmegen – met droppingzones bij Groesbeek (505de en 508ste Regiment), Overasselt en Grave (504de Regiment) – werd toegewezen aan de Amerikaanse 82e Luchtlandingsdivisie, onder bevel van (toen nog) brigadegeneraal James Gavin. Deze divisie had de taak om de (hoger gelegen) regio rondom Groesbeek te bezetten en de bruggen over de Waal bij Nijmegen (door het 508ste Regiment), over de Maas bij Grave (door het 504de Regiment) en ten minste één brug over het Maas-Waalkanaal in te nemen (door zowel het 504de als het 508ste Regiment). Opvallend was dat de inname van de Waalbrug bij Nijmegen hierbij de minste prioriteit kreeg en dat de droppingszones daar ook relatief ver vanaf gekozen waren.

File:Market-Garden - Nijmegen and the bridge.jpg

Nijmegen, op 28-09-1944, na zowel Duitse als geallieerde bombardementen Bron: US Archiv ARCWEB, Identifier: 531218, Wikipedia.org.

Dit had tot gevolg dat deze pas na enkele dagen van zware gevechten werd ingenomen. Overigens moest, in tegenstelling tot de 101e divisie, de 82ste over een groot deel van bezet Nederland vliegen met alle risico’s van dien. Op weg naar Groesbeek stortte, niet ver van Vught, een Amerikaanse vliegtuig neer van de 82ste divisie, waar omheen een verhaal met een haast mythische inhoud ontstond. Sommige bronnen (zoals het boek “Een brug te ver” van Cornelius Ryan, pagina 204/205) spreken over een Waco (een Amerikaans zweefvliegtuig), anderen (bijvoorbeeld Market Garden Now and Then, deel 1 pagina 173) houden het op een Airspeed Horsa Glider (een Brits zweefvliegtuig). Een Duitse verkenningseenheid doorzocht het wrak en trof in het uniform (of “een aktentas” Cornelius Ryan) van een omgekomen officier het gehele Market Garden plan aan. Dit kwam op tafel van het nabijgelegen hoofdkwartier van de Duitse generaal Kurt Student. Over de gevolgen voor de voortgang van Market Garden dat deze gevoelige informatie al erg snel in vijandelijke handen was gekomen doen zich hardnekkige verhalen de ronde, zelfs dat het mislukken hier mede debet aan is. Vast staat echter dat Student, wegens de verbroken verbindingen, de gegevens helemaal niet snel genoeg kon delen met veldmaarschalk Model. Op 17 september vluchtte Model in allerijl vanuit zijn hoofdkwartier in Oosterbeek naar het hoofdkwartier van generaal Bittrich in Doetinchem in de veronderstelling dat de luchtlandingen een persoonlijke aanval op hem waren. Eenmaal op het hoofdkwartier van het 2de SS-pantserkorps te Doetinchem raakte de veldmaarschalk in onenigheid met Bittrich, waar het ging om het belang van de bruggen (Arnhem en Nijmegen) voor het geallieerde plan. Hij wilde dan ook niet dat de bruggen vernietigd, maar verdedigd zouden worden. Wat betreft de gevolgen van het vroegtijdig ontdekte plan voor Market houdt ‘Market Garden Now and Then’ het er op dat deze beperkt zijn gebleven tot de tweede en derde dag van de operatie voor de luchtlandingen van de 101ste divisie bij Best.

De Slag om Arnhem

Op 17, 18 en 19 september 1944 landde onder bevel van generaal-majoor Roy Urquhart, de 1st British Airborne Division met ruim 10.000 militairen en een grote hoeveelheid legermaterieel met droppingzones tussen Heelsum en Wolfheze, ten noorden van Renkum en in de omgeving van Ede.

Urquhart bij zijn hoofdkwartier in Hotel Hartenstein (tegenwoordig het Airborne Museum) tijdens Operatie Market Garden.

Generaal-majoor Roy Urquhart bij zijn hoofdkwartier Hotel Hartenstein, nu Airborne Museum, te Oosterbeek. Bron: Wikipedia.org.

De operatie startte op de eerste ochtend met bombardementen in deze regio, uitgevoerd door bommenwerpers en jachtvliegtuigen op Duitse luchtafweerstellingen en kazernes. Rond 13:00 uur beginnen dan de landingen. Een compagnie “Pathfinders” markeert terreinen voor de landing van ruim 350 zweefvliegtuigen bij Wolfheze (Bron: kort historisch overzicht door Robert Voskuil).

Vervolgens landen, later die middag, de 1th Luchtlandingsbrigade (The Border Regiment, 7th Bataljon King’s Own Scottish Borderers en 2nd South Staffords) o.l.v. brigadier Philip Hugh Whitby Hicks, noordelijk van de spoorlijn en Wolfheze, met als eerste taak de landingsterreinen te bezetten voor de landingen op 18 september. Even later arriveren ook ruim 140 Amerikaanse C-47 toestellen (9th Troop Carrier Command) met de 1st Parachute Brigade o.l.v. generaal Gerald William Lathbury, opgebouwd uit 3 parachutistenbataljons en aangevuld met verkenners van de 1st Airborne Reconnaissance Squadron ten noorden van Renkum.

de dropping van de First British Airborne Division, bron: Wikipedia

Foto: Luchtlandingen tijdens de Slag om Arnhem. Bron: Wikipedia.

Deze bataljons moesten zich via 3 routes verplaatsen richting Arnhem; de 1st Para langs een noordelijke (Amsterdamseweg “Leopard”) hoger gelegen route om de 2nd Para, die over een zuidelijkere (Benedendorpsweg “Lion”) weg, en de 3rd Para, die over de centrale Utrechtseweg (“Tiger”) moesten oprukken, te beschermen,  ten einde belangrijke Rijnbruggen te bezetten.

De Britse divisie zou bovendien steun krijgen van de later te droppen Poolse Eerste Onafhankelijke Parachutistenbrigade bij Driel (ten zuiden van de Rijn), onder bevel van generaal-majoor Stanislaw Sosabowski. Op de eerste dag landden ca. 5.300 Britse para’s. Slechts de helft, ca. 2.700 para’s, was beschikbaar om direct op te trekken naar Arnhem. De rest van de Britse troepen was op de eerste dag van de slag nodig om de landingszones te bewaken en desnoods te verdedigen, hetgeen mede een obstakel vormde voor een succesvolle aanval.

De 1st Para o.l.v. luitenant-kolonel David Dobie belandde in heftig Duits tegenstand en strandde, na een omtrekkende beweging bij het Arnhemse Elisabeths Gasthuis. Dobie raakte gewond, werd gevangen, maar wist te ontsnappen naar Ede, waar hij onderdook en met het verzet de Pegasus-operaties ontwikkelde (zie hieronder).

Afbeeldingsresultaat voor overste frost

Foto: Luitenant Kolonel John Dutton Frost. Bron: Wikipedia

De 2nd Para, o.l.v. luitenant-kolonel John Frost had als eerste doel de spoorbrug bij Oosterbeek (deze werd vlak voor aankomst opgeblazen door de Duitsers), vervolgens de schipbrug (die voortijdig weggevaren werd) en als voornaamste object de Arnhemse verkeersbrug over de Rijn te veroveren. Hij moest deze minstens 48 uur bezet houden en er een bruggenhoofd vestigen. Binnen deze termijn zou namelijk versterking komen vanuit het zuiden, met Arnhem als operatiedoel. John Frost wist met 600 man de brug bereiken, maar de rest van de divisie slaagde daar niet in. De ingesloten para’s werden geplaagd door het slechte radiocontact, de munitie raakte op en vele Britten, inclusief hun overste Frost raakten gewond en werden gevangen genomen. Op 21 september viel de brug weer geheel in Duitse handen en werd vervolgens door de heroveraars opgeblazen om te voorkomen dat er alsnog door de geallieerden gebruik van gemaakt kon worden. Na de oorlog werd deze weer opgebouwd en (in 1978) vernoemd naar overste Frost.

De 3rd Para, o.l.v. generaal John Fitch, raakte aan de westkant van Arnhem vast op een verdedigingslinie van de Duitsers en kwamen er niet toe om via de binnenstad van Arnhem ten oosten van Arnhem en ten noorden van de verkeersbrug een verdedigende stelling op te werpen.

De grootste zwakte van het plan van Lathbury was dat de bataljons te zwak waren om de relatief lichte tegenstand van de Duitsers te kunnen overwinnen. Omdat er geen reservetroepen voorhanden waren om de bataljons te versterken, was die tegenstand in de eerste uren voldoende om te voorkomen dat twee van de drie bataljons hun doel wisten te bereiken.

Het opstijgen van de tweede ‘lift’, de 4th Parachute Brigade o.l.v. generaal Shan Hacket, op 18 september, werd urenlang vertraagd door de aanwezigheid van grondmist in Engeland.  Vlak voordat deze brigade springt op de Ginkelse heide bij Ede, de trachten King Own’s Scottish Borderers met een verwoede aanval de Duitsers van de heide te verdrijven. De circa 2.000 para’s  springen in een inferno van kogels, rook en vuur en vindt totaal onvoorzien de slag om de Ginkelse heide plaats. Ondanks de luchtafweer en problemen met het afspringen, landt 90% van de para’s binnen de dropzone. Een dag later werd door het 156e Bataljon van deze brigade een aanval uitgevoerd op de Duitse Sperrlinie aan de Dreijenseweg (tussen het Oosterbeekse treinstation en de Amsterdamseweg). De veel sterkere Duitse troepen lieten weinig heel van dit bataljon. Het 10e bataljon raakte in strijd met de 9e SS Pantzer Divisie Hohenstaufen bij de Amsterdamseweg. Op het moment dat dat de Duitse overmacht te groot bleek werd bevel gegeven voor de terugtrekking. Er volgde een chaotische aftocht, te meer omdat tegelijkertijd een deel van de Poolse Luchtlandings Brigade tijdens de gevechten plaatsvond. Honderden Britten werden gevangen genomen. 

Evenals bij Nijmegen het geval, was ook hier de afstand tot de brug dusdanig dat niet van een complete verrassingsaanval gesproken kon worden. De resterende troepen werden vanuit het westen, noorden en oosten bijeengedreven in Oosterbeek en de omgeving wat bekend geworden is als de perimeter van Oosterbeek.

Foto van de Rijnbrug bij Arnhem

Foto van de Rijnbrug bij Arnhem

De Slag om Arnhem kende al met al een dramatisch verloop. Niet minder dan 1.750 militairen sneuvelden. Zij zijn voor het merendeel begraven op de Airborne begraafplaats te Oosterbeek. Vele anderen werden krijgsgevangen gemaakt. Ongeveer 2.200 Airbornes zijn in de nacht van 25 op 26 september 1944 de Rijn overgestoken naar de Betuwe.

Enkele honderden konden zich slechts in veiligheid stellen door in bezet gebied onder te duiken. In oktober en november 1944 heeft het verzet – in samenwerking met de Amerikaanse parachutisten van de 101ste Airborne Divisie – twee ontsnappingspogingen uitgevoerd onder de naam van Pegasus I en II. De eerste met zo’n 130 militairen werd een groot succes en ging de geschiedenis in als de grootste ontsnappingsoperatie in WO2 vanuit bezet gebied. De tweede poging eindigde in een jammerlijke ondergang. Slechts 7 mannen bereikte veilig de zuidoever van de Rijn.

De mislukking van de Slag om Arnhem was cruciaal in het oorlogsverloop van 1944 – 1945. Sommige historici geven weer dat de Duitsers het vertrouwen herwonnen dat zij het tij nog konden keren. In december 1944 ontketenden de Duitsers zelfs nog het beruchte Ardennenoffensief. In bezet gebied traden ze meedogenloos op, met de dood van duizenden verzetsstrijders tot gevolg. Vervolgens maakte Nederland nog de tragedie van de hongerwinter door. Pas in mei 1945 werd de oorlog beëindigd.

De grootte van de operatie Market heeft een grote, tot op heden onuitwisbare, indruk achtergelaten in Arnhem en omgeving. Dit is de reden dat na meer dan een halve eeuw nog jaarlijks in september herdenkingen worden georganiseerd, die massaal bezocht worden door jong en oud uit binnen- en buitenland. Vooral bij jubileumjaren, zoals in 2004 en 2014 bij de 60- en 70-jarige herdenking, is sprake van zeer grootschalige opkomsten. Niet onverdienstelijk zijn de groeiende bezoekersaantallen van het Airborne Museum Hartenstein te Oosterbeek en de in 2017 geopende dependance Airborne at the bridge in Arnhem. In 2018 trokken deze instanties het recordaantal van 130.000 bezoekers.